Het ging in die zaak om een zoon, die uitwonend student was. Hij had geen recht meer op een basisbeurs, maar ontving wel een lening van de IB-groep van € 250,- per maand. Daarnaast had de zoon een bijbaantje, waarmee hij € 595,- netto per maand verdiende. Vast stond dat de totale kosten van de zoon € 967,- per maand bedroegen. De vader betaalde volgens eigen opgaaf een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van circa € 445,- per maand aan de zoon.
De vraag die aan de Hoge Raad werd voorgelegd zag erop of er rekening moest worden gehouden met de lening die de zoon ontving bij de beantwoording van de vraag of het noodzakelijk was dat de vader een bijdrage betaalde in de kosten van levensonderhoud van zijn zoon. Dit ter bepaling of de bijdrage door vader fiscaal kon worden afgetrokken.
De Hoge Raad oordeelde dat het feit dat de zoon beschikte over geleend geld (namelijk € 250,- per maand) mee moest worden genomen bij de vraag of de vader zich “redelijkerwijs gedrongen” kon voelen om een bijdrage van minimaal € 129,- per maand te betalen aan zijn zoon. Doordat vast stond dat de totale kosten van de zoon € 967,- per maand bedroegen en de zoon inclusief lening € 845,- beschikbaar had, had de zoon uiteindelijk feitelijk enkel € 122, - per maand als bijdrage nodig van zijn vader. Aangezien dit enkele euro’s minder is dan de minimum bijdrage volgens de wet (€ 129,- per maand) mocht de vader de bijdrage niet aftrekken.
Opvallend is dat de Hoge Raad benoemt dat het geleende geld tot de eigen middelen van de zoon kon worden gerekend. Dit roept de vraag op of de Hoge Raad hetzelfde had geoordeeld indien de zoon wel over het geleende geld zou kúnnen beschikken, maar dit niet deed. Oftewel: de zoon kan geld lenen, maar doet dit niet. Die vraag is echter niet in dit arrest aan de orde geweest, zodat daar vooralsnog geen concreet antwoord op kan worden gegeven.
Mw. Mr. M. Veurman
* Deze cijfers zijn uit 2004. Thans betreft het een bedrag van € 408,- per kwartaal.
** Let op: de mogelijkheid om een bijdrage in het levensonderhoud van kinderen fiscaal af te trekken,
geldt vanaf 1 januari 2012 voor kinderen tot 21 jaar, in plaats van 30 jaar.