II. Het voorkomen van onzekerheid van een faillissement bij nakoming van een wederkerige overeenkomst door de curator

In een eerder artikel hebben wij u gewezen op de gevolgen van een faillissement voor wederkerige overeenkomsten. Een wederkerige overeenkomst is (kort gezegd) de overeenkomst waarbij beide partijen op het moment dat het faillissement wordt uitgesproken nog (deels) moeten presteren. Denk bijvoorbeeld aan het faillissement van een aannemersbedrijf, dat kort voor datum van het faillissement een aannemingsovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot de bouw van een woning. In dit geval is de gefailleerde vennootschap verplicht de woning af te bouwen, terwijl de opdrachtgever (een deel van de koopprijs) van de woning nog moet betalen. In het vorige artikel hebben wij u geïnformeerd over de keuzemogelijkheid van de curator om een overeenkomst wel of niet na te komen.

Omdat de curator deze keuzemogelijkheid heeft, kan voor de wederpartij van de curator – in dit geval de opdrachtgever – onzekerheid ontstaan over de vraag of de curator zijn verplichting uit hoofde van de overeenkomst zal nakomen. De wetgever heeft ingezien dat deze onzekerheid niet wenselijk is en heeft daarom (in artikel 37 Fw) de wederpartij van de curator de mogelijkheid gegeven om de curator (schriftelijk) een (redelijke) termijn te stellen waarin de curator moet aangeven of hij de overeenkomst wel of niet zal nakomen (zgn. gestanddoening). Als de curator niet wenst na te komen of niet binnen de gestelde termijn reageert, kan de curator op zijn beurt geen nakoming van de overeenkomst meer vorderen. De wederpartij van de curator kan vervolgens de overeenkomst ontbinden en zijn vordering tot schadevergoeding indienen of eventueel verrekenen.

Als de curator verklaart de overeenkomst wel te zullen nakomen, dan moet de curator zekerheid stellen voor de nakoming van die overeenkomst (dus ook eventuele vorderingen van vóór datum faillissement), bijvoorbeeld door het stellen van een bankgarantie door de curator.