Nieuws
:Nieuws

Kwijting van aansprakelijkheid vanwege een onverantwoorde (dividend)uitkering

Als bestuurder van een besloten vennootschap (BV) kun je op grond van artikel 2:216 lid 3 Burgerlijk Wetboek (BW) aansprakelijk zijn, indien je op het moment van een uitkering aan de aandeelhouders wist of behoorde te weten dat de BV na de uitkering niet kon voortgaan met betalen. Op grond van lid 2 van artikel 2:216 BW is het bestuur gehouden om de zogenaamde uitkeringstest uit te voeren en al dan niet goedkeuring te verlenen aan het uitkeringsbesluit van de aandeelhoudersvergadering. Zonder de goedkeuring van het bestuur heeft het besluit van de aandeelhoudersvergadering geen effect.

De aandeelhoudersvergadering kan het bestuur kwijting (decharge) verlenen voor aansprakelijkheid vanwege het gevoerde beleid (lees: onbehoorlijk bestuur). In het algemeen wordt aangenomen dat de vergadering van aandeelhouders ook namens de BV afstand kan doen van de vordering van de BV op de bestuurders vanwege een onverantwoorde uitkering. Dit is recent door Rechtbank Gelderland in haar vonnis van 16 maart 2016 bevestigd (ECLI:NL:RBGEL:2016:1758).

Bij het verlenen van een decharge, op het moment van bijvoorbeeld het einde van het boekjaar, is het belangrijk dat de aandeelhoudersvergadering op de hoogte is of kon zijn van de feiten en omstandigheden die kunnen leidden tot de aansprakelijkheid. Uit de rechtspraak volgt namelijk dat de decharge niet verder kan strekken dan de vorderingen van de BV die blijken uit de informatie die aan de algemene vergadering van aandeelhouders is voorgelegd in bijvoorbeeld de (concept) jaarrekening of verslaglegging. Om een beroep te kunnen doen op een decharge dient een bestuurder daarom – zelfs als hij enig aandeelhouder van de vennootschap is (ECLI:NL:HR:2010:BM2332) – in beginsel expliciet en ondubbelzinnig kenbaar te maken aan de aandeelhoudersvergadering dat hij de fout in is gegaan of in ieder geval daarover informatie te verstrekken. Hoe duidelijker de informatie is die de bestuurder verstrekt aan de aandeelhoudersvergadering, hoe groter de kans is dat de eventuele aansprakelijkheid onder de reikwijdte van het dechargebesluit valt.

In de zaak die op 16 maart 2016 speelde bij de Rechtbank Gelderland verweerde een bestuurder zich met een beroep op een aan hem verleende decharge tegen een aansprakelijkheidsstelling van de BV vanwege een onverantwoorde uitkering. De rechtbank stelde in dit kader vast dat er ten onrechte in de notulen van de aandeelhoudersvergadering was opgenomen dat de jaarrekening was vastgesteld en dat de vennootschap op het moment van de besluitvorming niet beschikte over adequate en reëel cijfermatige informatie. Vanwege deze feiten oordeelde de rechtbank dat de bestuurder zich in redelijkheid niet op de decharge kon beroepen. Klaarblijkelijk is de aandeelhoudersvergadering in deze zaak naar het oordeel van de rechtbank bewust onjuist en/of onvolledig door het bestuur geïnformeerd en heeft zij daardoor niet de gevolgen van de uitkering kunnen overzien (vgl. HR 20 juni 1924, NJ 1924, p. 1107-1113 (Truffino/de Kanter).  De bestuurder is daarom gehouden om het tekort dat door de uitkering is ontstaan aan de vennootschap te vergoeden.

Om een beroep te kunnen doen op een verleende decharge dient de bestuurder de aandeelhoudersvergadering daarom volledig te informeren. In het geval van een besluit tot een uitkering zal – gelet op het feit dat in beginsel de aandeelhoudersvergadering zelf besluit tot de uitkering – de aandeelhoudersvergadering in de meeste gevallen wel op de hoogte (moeten) zijn van de gevolgen van de uitkering. De aan de aandeelhoudersvergadering verstrekte informatie dient dan uiteraard wel juist te zijn. Indien dit niet het geval is, kan het zijn dat de handeling niet onder de reikwijdte van de decharge valt of het bestuur in redelijkheid geen beroep kan doen op de aan hem verleende decharge.

Het vastleggen van de misstappen en het opbiechten daarvan door de bestuurder is echter niet zonder risico. Deze informatie kan ook tegen de bestuurder worden gebruikt. Het belangrijkste risico volgt misschien wel uit het feit dat de decharge alleen interne werking heeft en geen afbreuk doet aan de mogelijkheid van bijvoorbeeld de schuldeisers van de vennootschap om de bestuurder aansprakelijk te stellen. De bestuurder loopt ook het risico dat de werking van het dechargebesluit wordt aangetast. Een dechargebesluit kan bijvoorbeeld op vordering van de (minderheids)aandeelhouder of een later aangestelde curator worden vernietigd. Ook de Ondernemingskamer heeft de mogelijkheid om na de  vaststelling dat er sprake is van wanbeleid een besluit tot decharge te vernietigen. Na de vernietiging van het dechargebesluit kan de bestuurder alsnog intern aansprakelijk worden gesteld.

Meer weten? Neemt u dan gerust contact op met één van onze specialisten op het gebied van ondernemingsrecht.

Gepubliceerd: 11 augustus 2016

< naar overzicht