De Wet Bibob en evenredigheid nieuwe stijl
Geplaatst op: 22 juni 2026
De Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen (‘Wet Bibob’) houdt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (‘de Afdeling’) nog altijd bezig. In haar uitspraak van 20 mei 2026 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verduidelijkt hoe de evenredigheidstoets van artikel 3:4 tweede lid Awb zich verhoudt tot artikel 3 vijfde lid Wet Bibob. Daarmee is duidelijker geworden hoe Bibob-besluiten op evenredigheid moeten worden beoordeeld. Dat is van groot belang, omdat weigering of intrekking van een vergunning, subsidie of overheidsopdracht direct kan ingrijpen in het bestaan van een onderneming.
Varkenshouderij in Creil
De zaak gaat over een varkenshouderij in Creil. Het college van Gedeputeerde Staten van Flevoland weigerde na een Bibob-onderzoek een revisievergunning en trok verleende omgevingsvergunningen in, omdat ernstig gevaar zou bestaan dat de vergunningen mede zouden worden gebruikt voor strafbare feiten. Volgens het college woog het belang van een ordelijke exploitatie zwaarder dan het belang van voortzetting van het bedrijf. Dat oordeel hield geen stand bij de rechtbank, maar de Afdeling is van mening dat het college de weigering en intrekking voldoende heeft gemotiveerd. Daarmee bevestigt zij dat de evenredigheidstoets van artikel 3 vijfde lid Wet Bibob moet worden ingevuld aan de hand van dezelfde criteria als artikel 3:4 tweede lid Awb.
Evenredigheid ‘nieuwe stijl’
Artikel 3:4 tweede lid Awb bepaalt dat de nadelige gevolgen van een besluit voor één of meer belanghebbenden niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de doelen die met dat besluit worden gediend. In het verleden werd in dit kader uitsluitend getoetst of een bestuursorgaan in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Met de Harderwijkuitspraak is het evenredigheidsbeginsel echter in een nieuw jasje gestoken en heeft de Afdeling bepaald dat besluiten niet langer marginaal (‘oppervlakkig’), maar indringend moeten worden beoordeeld op evenredigheid. Vanaf dat moment wordt ook wel gesproken over evenredigheid ‘nieuwe stijl’ en moet het bestuursorgaan in het kader van de evenredigheid toetsen of het besluit voldoet aan de criteria van geschiktheid, noodzaak en evenwichtigheid. Deze criteria zijn inmiddels niet meer weg te denken uit het bestuursrecht en met name binnen het handhavingsrecht. Per geval kan het verschillen of en op welke manier de criteria bij de beoordeling moeten worden betrokken.
Bibob-evenredigheid volgens de Afdeling
De Wet Bibob kent ook een ‘eigen’ evenredigheidstoets in artikel 3 vijfde lid Wet Bibob. Een bestuursorgaan mag op basis van deze bepaling een vergunning of subsidie alleen maar weigeren of intrekken als dit evenredig is met de mate van het vastgestelde gevaar. Langere tijd was het onduidelijk hoe ‘Bibob-evenredigheid’ moest worden ingevuld. De Afdeling heeft nu echter aangegeven dat ook hier de geschiktheid, noodzaak en evenwichtigheid van het besluit moesten worden getoetst. Wat betreft de geschiktheid volgt dit in beginsel uit de wet zelf: intrekking of weigering van een vergunning is een passend middel om misbruik van die vergunning voor het plegen van strafbare feiten te voorkomen. Ook het toetsingskader voor de beoordeling van de noodzaak is te vinden in de wet: de wetgever heeft onder ogen gezien dat een minder vergaande maatregel kan worden toegepast. Op basis van artikel 3 zevende lid kunnen er immers voorschriften worden verbonden aan een vergunning om het gevaar weg te nemen of te beperken.
Ten slotte moet worden beoordeeld of de gevolgen voor de betrokkene in het concrete geval evenwichtig zijn. Hierbij wordt gekeken naar de individuele gevolgen van het besluit, net zoals bij evenredigheid in de zin van artikel 3:4 tweede lid Awb. In de zaak van de varkenshouder zijn de financiële gevolgen van het intrekken en weigeren van de vergunningen groot en ligt faillissement op de loer. Door de ernst en het structurele karakter van de mogelijke strafbare feiten vindt de Afdeling het besluit echter toch evenwichtig. Ook in een latere uitspraak van 26 mei 2026 over ingetrokken standplaatsvergunningen in Assen bevestigt de Afdeling deze lijn.
Conclusie
De uitspraken van 20 en 26 mei 2026 maken duidelijk dat evenredigheid in de zin van artikel 3 vijfde lid Wet Bibob op dezelfde indringende wijze wordt toegepast als de toets van artikel 3:4 tweede lid Awb. Deze uitspraken laten aan de andere kant ook zien dat het balletje niet altijd de kant van de aanvrager of houder van de vergunning op hoeft te rollen. De strafbare feiten die mogelijk zouden kunnen worden gepleegd kunnen zó ernstig en structureel zijn dat ernstige financiële gevolgen door het intrekken of weigeren van de vergunning evenredig en daarmee gerechtvaardigd zijn.
Twijfel je over de evenredigheid van een Bibob-besluit? Onze bestuursrecht specialisten denken graag met je mee.