Rechtspraak slapende dienstverbanden: een update

Roswitha-Edema 23 juli 2019 door Roswitha Edema-Spaans

Begin april van dit jaar plaatsten we op onze site een blog met als titel: Dienstverband langdurig zieke werknemer. Laten slapen of niet? Daarin werden twee uitspraken behandeld, waarin werd voorgesorteerd op de Wet Compensatie Transitievergoeding (WCT). In die uitspraken werd de werkgever verplicht om het slapende dienstverband van een ernstig en langdurig zieke werknemer op te zeggen, onder toezegging van betaling van de transitievergoeding. In onze blog gaven we al aan dat de rechtspraak hierover sterk verdeeld is, met een verwijzing naar twee andersluidende uitspraken van kantonrechters, die in vergelijkbare kwesties juist geen ontslagverplichting voor werkgever aannamen. Intussen zijn er meer uitspraken gewezen. Tijd dus voor een update.

ACTUELE UITSPRAKEN

De Rechtbank Oost-Brabant heeft zich in de afgelopen maanden in twee kort gedingprocedures over deze kwestie gebogen. Slechts één van de twee uitspraken is gepubliceerd, te weten die van 24 juni 2019 (zie: Uitspraak Rechtbank Oost-Brabant). In beide zaken betrof het slapende dienstverbanden van langdurig arbeidsongeschikte werknemers die op korte termijn de AOW-gerechtigde leeftijd zouden bereiken en om die reden in kort geding trachtten te bereiken dat hun dienstverband nog daarvóór zou eindigen onder toekenning van de transitievergoeding. De kantonrechter heeft echter in beide zaken geoordeeld dat het tot de keuze-/ beleidsvrijheid van een werkgever behoort om een slapend dienstverband al dan niet te beëindigen. Ook de komst van de WCT brengt daar volgens de kantonrechter geen wijziging in. Dat kan wel anders komen te liggen als de werkgever een vast beleid voert om slapende dienstverbanden op te zeggen, maar dat was in beide zaken niet het geval en zodoende trokken werknemers bij deze Rechtbank aan het kortste eind.

PREJUDICIËLE VRAGEN AAN DE HOGE RAAD

Intussen zijn, in een zaak die speelt voor de Rechtbank Limburg, door de rechter prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad over dit onderwerp (zie: Uitspraak Rechtbank Limburg). In deze, nog lopende, zaak vordert een langdurig arbeidsongeschikte werknemer met een slapend dienstverband een schadevergoeding van werkgever uit hoofde van schending van de norm van artikel 7:611 BW (goed werkgeverschap) door niet in te gaan op het voorstel van werknemer om het dienstverband te beëindigen onder toekenning van een transitievergoeding. Die gevraagde transitievergoeding was overigens beperkt tot het bedrag van de door werkgever te verkrijgen compensatie. Ter onderbouwing van zijn vordering voert werknemer aan dat werkgever als redelijk werkgever ertoe gehouden is om op redelijke voorstellen van werknemer in te gaan. We kennen deze regel, maar dan in spiegelbeeld, uit het arrest Stoof/ Mammoet van de Hoge Raad van 11 juli 2008 (zie: Uitspraak Hoge Raad). Daarin heeft de Hoge Raad bepaald dat een werknemer uit oogpunt van goed werknemerschap gehouden kan zijn om aan een redelijk voorstel van werkgever tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden gehoor te geven. De vraag is nu of dezelfde regel ook geldt voor een door werknemer gedaan voorstel tot beëindiging van het dienstverband onder toekenning van een (tot het bedrag van de compensatie beperkte) transitievergoeding. En of het niet ingaan op dit voorstel dan tot schadeplichtigheid leidt van de werkgever op grond van strijd met het goed werkgeverschap.

Dit lijkt een goede vondst van de werknemer, omdat de werkgever immers op het eerste gezicht geen nadeel lijdt. Dat is echter niet juist: zou de Rechtbank de vordering van werknemer op deze grondslag toewijzen, dan levert dit voor werkgever wel degelijk een nadeel op. Hij heeft dan namelijk geen aanspraak op compensatie door het UWV van de betaalde schadevergoeding uit hoofde van de WCT. Compensatie is immers alleen aan de orde bij betaling van de transitievergoeding, niet als die betaling voortvloeit uit toewijzing van een vordering tot schadevergoeding. Een ogenschijnlijk klein juridisch verschil, maar met verstrekkende gevolgen!

De Rechtbank Limburg heeft naar aanleiding van deze zaak prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad en het is dus nog even afwachten wat de Hoge Raad hiervan vindt. Zodra we hier meer over weten, zullen wij u in kennis stellen. Houd onze site dus in de gaten!

Hebt u nog vragen naar aanleiding van deze update? Bel of mail ons dan!