De curator als hoeder van de wet op de ondernemingsraden (WOR)

PriscillaTrip 8 juni 2017 door Priscilla Trip

Het faillissementsrecht staat regelmatig op gespannen voet met diverse beginselen in het arbeidsrecht. Regelmatig wordt dan ook de vraag gesteld wat voorgaat, het belang van snel kunnen schakelen ten behoeve van een vlotte doorstart of het belang van naleving door de curator van diverse verplichtingen jegens werknemers wat mogelijk tot vertraging kan leiden. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 2 juni 2017 het belang op naleving door de curator van de verplichtingen uit de WOR boven het belang van een vlotte doorstart gesteld. Wat speelde er in dat geval?

In de aan het arrest van de Hoge Raad ten grondslag liggende uitspraak van de Ondernemingskamer is, kort gezegd, geoordeeld dat het adviesrecht van de Ondernemingsraad (OR) in beginsel niet geldt in de situatie dat de onderneming failliet is verklaard. Dit heeft te maken met de specifieke taak van de curator. In een faillissement heeft de curator zich te richten op het ten gelde maken van de bestanddelen van de boedel met als doel het realiseren van een zo hoog mogelijke opbrengst voor de gezamenlijke schuldeisers. Hierbij moet de nodige voortvarendheid betracht worden. Onder deze omstandigheden is het, volgens de Ondernemingskamer, niet aannemelijk dat een advies van de OR nog van wezenlijke invloed kan zijn op het besluit over een doorstart, terwijl ook de in de WOR gegeven wachttijd van één maand strijdig kan c.q. zal zijn met de gewenste voortvarendheid.

De Hoge Raad acht de genoemde argumenten van de Ondernemingskamer blijkens zijn arrest van 2 juni jl. van ondergeschikt belang. Volgens de Hoge Raad is de curator, als hij bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden op grond van de Faillissementswet alleen dan wel samen met anderen in de onderneming rechtstreeks de hoogste zeggenschap uitoefent bij de leiding van de arbeid, als ondernemer in de zin van de WOR aan te merken. Als zodanig is hij dan ook gehouden de voorschriften uit de WOR na te leven. Dit brengt met zich mee dat als de verkoop door de curator plaatsvindt in het kader van de voortzetting of doorstart van (delen van) de onderneming door dezelfde of een andere entiteit, waarbij het vooruitzicht bestaat op behoud van arbeidsplaatsen, een daarop gericht besluit adviesplichtig is op grond van de WOR. De Hoge Raad maakt hierbij wel de kanttekening dat de voorschriften van de WOR, gelet op de faillissementssituatie, niet altijd onverkort kunnen worden toegepast door de curator. De curator en de OR hebben zich jegens elkaar te gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd.

De les voor ons curatoren is in ieder geval dat wij, naast hoeder van de belangen van de gezamenlijke schuldeisers, ook hoeder zijn van de rechten van de OR. Mocht je hierover vragen hebben, dan kun je daarover uiteraard altijd contact met ons opnemen.