Schuldeiser benadeeld door nieuwe Tijdelijk Betalingsuitstelwet?

Bert Jansen 8 juni 2020 door Bert Jansen

Het ingediende wetsvoorstel ‘Tijdelijk Betalingsuitstelwet’ lijkt nuttig voor de schuldenaar, maar wordt de schuldeiser door deze wet niet heel erg achtergesteld?

Flinke toename faillissementen

Dankzij de steunmaatregelen van de overheid is een faillissementsgolf vooralsnog uitgebleven maar de verwachting is nog steeds dat het aantal faillissementen als gevolg van de coronacrisis fors zal toenemen. Naarmate de coronacrisis zal voortduren, zullen meer bedrijven hun financiële hoofd niet meer boven water kunnen houden en het faillissement in glijden.

De eerste groep bedrijven die failliet gaan, zijn voornamelijk bedrijven die ook zonder coronacrisis financiële problemen hadden. Deze crisis zal hier als negatief duwtje in de rug gaan werken.

Als de crisis langer aanhoudt, zullen echter ook bedrijven gaan failleren die op zichzelf gezonde ondernemingen zijn. Enkel omdat ten gevolge van het coronavirus hun omzet is verdampt, rest hen het faillissement. Met name als deze faillissementen zich zullen voortdoen, is dat een hard gelag. Het treft namelijk gezonde ondernemingen met normaliter goede perspectieven.

Kan dat voorkomen worden?

Biedt het nieuwe wetsvoorstel uitkomst?

Op 4 juni jl. heeft minister Dekker een wetsvoorstel ter consultatie ingediend: de Tijdelijke Betalingsuitstelwet 2020. Dit wetsvoorstel heeft als doel het voorkomen van faillissementen van bedrijven die op zichzelf gezond zijn, maar alleen ten gevolge van de coronacrisis tijdelijk in de financiële problemen zijn gekomen.

Indien een schuldeiser het faillissement wil aanvragen, heeft het bedrijf op grond van dit wetsvoorstel de mogelijkheid de rechter te vragen om de behandeling van het faillissementsverzoek met twee maanden aan te houden. Die termijn kan zelfs nog twee keer voor telkens twee maanden worden aangehouden. In totaal kan daarmee het faillissement van het bedrijf voor zes maanden worden voorkomen.

Het bedrijf moet wel kunnen aantonen dat de financiële problemen enkel en alleen het gevolg zijn van de coronacrisis. Ook  moet aannemelijk worden gemaakt dat het bedrijf na die termijn in staat zal zijn om de schuldeisers te betalen.

Indien de rechtbank het uitstel toekent kunnen bepaalde schuldeisers tijdens die periode geen beslag leggen of betaling van hun vordering afdwingen. Ook kunnen zij bijvoorbeeld  geleverde maar onbetaald gelaten goederen niet terugnemen of overeenkomsten opzeggen.

Alleen oog voor de belangen van de schuldenaar?

Dit wetsvoorstel heeft duidelijk enkel de belangen van de schuldenaar, het bedrijf in moeilijkheden, voor ogen. Het wetsvoorstel tast namelijk wel de belangen van de schuldeiser aan. De schuldeiser wordt gedurende een periode, die wel enkele maanden kan duren, beroofd van zijn mogelijkheden zijn eigen positie te beschermen.

Wij kunnen ons echter voorstellen dat ook deze schuldeiser zelf geraakt wordt door de coronacrisis en het geld of terugname van door hem geleverde goederen hard nodig heeft. Hierin zit natuurlijk een duivels dilemma. Volgens ons is het volstrekt te billijken dat de bedrijven die enkel door de coronacrisis worden geraakt worden beschermd. Het is kapitaalsvernietiging en economisch schadelijk als die bedrijven in feite nodeloos zouden failleren. De keerzijde is wel dat de schuldeiser bestaande beschermende maatregelen wordt ontnomen, terwijl hijzelf die maatregelen ook hard nodig heeft om te overleven.

Ondanks deze negatieve gevolgen menen wij dat het wetsvoorstel nuttig en belangrijk is om veel gezonde bedrijven te redden van hun ondergang. De minister heeft haast met dit wetsvoorstel. Het doel is het wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingevoerd te krijgen.