Verzwijging bij het aangaan van een arbeidsongeschiktheidsverzekering

Anetta Volkerink 29 mei 2017 door Anetta Volkerink-de Boer

Een veel voorkomende zaak betreffende - al dan niet - verzwijging bij het sluiten van een arbeidsongeschiktheidsverzekering was in maart 2017 onderwerp van beoordeling door het Gerechtshof in ‘s-Hertogenbosch: een stratenmaker sloot in 2011 (nadat hij een jaar als zzp-er aan de slag is) een arbeidsongeschiktheidsverzekering bij De Amersfoortse. Hiervoor moest hij, zoals te doen gebruikelijk, een gezondheidsverklaring invullen. Eén van de vragen luidde of hij ‘aandoeningen, ziekten en/of gebreken (en klachten)’ had gehad met betrekking tot ‘huidaandoeningen, spataderen, open been, fistels, trombose, embolie?’. De stratenmaker heeft die vraag niet bevestigend beantwoord.

In februari 2014 verwondde de stratenmaker zijn linker onderbeen (een schaafwond) en omdat deze wond maar niet genezen wilde, raadpleegde hij zijn huisarts. Kort daarna werd bij hem geconstateerd dat hij lijdt aan de (zeldzame) huidaandoening ‘pyoderma gangraenosum’ (die ontstekingen van de huid veroorzaakt). In het verleden (in 2008 en 2010) had hij eerder last gehad van ontstoken wondjes (als gevolg van stootincidenten) aan datzelfde linker onderbeen die moeilijk genazen. Daarvoor had hij ook zijn huisarts en zelfs een chirurg bezocht, maar een diagnose werd toen niet gesteld, en na behandeling genazen de wondjes binnen een redelijke termijn. De Amersfoortse meende dat de stratenmaker zijn mededelingsplicht bij het aangaan van de verzekering had geschonden. Dat houdt in dat men hem verweet dat hij - gezien de vraagstelling - de eerdere verwondingen aan het been en de consultaties van de artsen daaromtrent had moeten melden. Wanneer een dergelijk verwijt hout snijdt, betekent dit dat aan de verzekeringnemer elke uitkering geweigerd kan worden. En dat zou grote gevolgen hebben, want inmiddels was de stratenmaker (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt geraakt en had dus behoefte aan een uitkering onder de AOV.

Zowel de rechtbank als (in hoger beroep) het hof oordelen dat de stratenmaker zijn mededelingsplicht niet heeft geschonden. Naar het oordeel van het hof heeft de stratenmaker bij het lezen van deze vraag redelijkerwijs niet hoeven te begrijpen dat hij de lastig te genezen wondjes aan zijn been uit de jaren 2008 en 2010 had moeten vermelden bij de vraag naar ‘huidaandoeningen’, omdat hij bij het invullen van de gezondheidsverklaring (nog) niet wist dat het hier om een huidaandoening ging; deze diagnose heeft hij ruim twee jaren na het afsluiten van de verzekering vernomen. Het hof vond evenmin dat de stratenmaker redelijkerwijs hoefde te begrijpen dat deze - niet spontaan, maar ten gevolge van een stootincident opgetreden - wondjes zouden vallen onder de restcategorie die op het formulier vermeld was en als volgt omschreven werd: ‘ziekten, aandoeningen en/of gebreken (hier vallen ook klachten onder) die niet onder bovengenoemde categorieën kunnen worden geplaatst’

Enerzijds zijn de gevolgen van een succesvol beroep van een verzekeraar op de schending van de mededelingsplicht groot; anderzijds is de juiste duiding van de wijze waarop een verzekeringnemer de aan hem of haar gestelde vragen - redelijkerwijs - mag opvatten, vaak een lastige klus en afhankelijk van een groot aantal omstandigheden. Zo speelde hier een rol dat de wondjes niet spontaan optraden, maar een (ook buiten een huidaandoening om) ‘logische’ verklaring konden hebben vanuit de stootincidenten die daaraan vooraf gingen. Een noodzakelijke associatie voor de stratenmaker tussen deze wondjes en de termen ‘ziekte’, ‘aandoening’ of ‘gebrek’ waarnaar op het aanvraagformulier gevraagd werd, zag het hof dus niet.