Baanbrekend nieuws: ook compensatie transitievergoeding van (semi)-diepslapers

In mijn blog Werkgever móet meewerken aan de beëindiging van een slapend dienstverband gaf ik aan dat een werkgever niet hoeft in te gaan op een verzoek van werknemer tot beëindiging van het dienstverband wegens langdurige arbeidsongeschiktheid met toekenning van een transitievergoeding, als werknemer al vóór 1 juli 2015 twee jaar ziek was. In die situatie verstrekte het UWV tenslotte geen compensatie voor de daarbij betaalde transitievergoeding. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft recent geoordeeld dat het UWV in dat geval werkgever wél moet compenseren. In dit blog leg ik uit wat deze uitspraak voor jou als werkgever betekent. 

Wat was het geval?

Werknemer was in april 2013 uitgevallen wegens ziekte. Na twee jaar ziekte legde het UWV aan werkgever een loonsanctie op waardoor werkgever nog een jaar langer het loon van werknemer moest doorbetalen. Vervolgens is het dienstverband slapend voortgezet, maar per 1 september 2018 alsnog beëindigd door middel van een vaststellingsovereenkomst onder toekenning van een transitievergoeding. Werkgever deed bij het UWV een aanvraag voor compensatie van de betaalde transitievergoeding, maar kreeg van het UWV nul op het rekest.

Het UWV beriep zich hierbij op de wet. Volgens de wet is de compensatie namelijk gemaximeerd tot het bedrag dat werkgever aan transitievergoeding verschuldigd zou zijn geweest op de dag dat werknemer twee jaar ziek is (de periode van de loonsanctie wordt daarbij niet meegeteld). In dit geval was werknemer in april 2015 twee jaar ziek. Toen was de transitievergoeding nog niet ingevoerd, want dat was pas op 1 juli 2015. De werkgever had daarom geen recht op compensatie, aldus het UWV.

De CRvB oordeelt nu dat het UWV de wet onjuist toepast. Want de maximering van de compensatie, zoals in de wet is opgenomen, ziet alleen op de hoogte van de compensatie en niet op de verschuldigdheid daarvan. Ook is de uitleg van het UWV volgens de CRvB in strijd met het doel van de compensatieregeling, namelijk het voorkomen van het in stand houden van slapende dienstverbanden.

De werkgever heeft dus ook aanspraak op compensatie in de situatie waarin een dienstverband ná 1 juli 2015 is geëindigd, maar de termijn van twee jaar van arbeidsongeschiktheid is verstreken vóór 1 juli 2015.

Wat betekent dit voor de praktijk?

De kans is reëel dat een werknemer met zo’n (semi-)diepslapend dienstverband met een beroep op deze uitspraak zich tot werkgever wendt met het verzoek om de arbeidsovereenkomst alsnog te beëindigen onder toekenning van een transitievergoeding. Werkt werkgever daaraan mee, dan kan dus toch aanspraak worden gemaakt op compensatie van de transitievergoeding door het UWV.

Een andere vraag is of werkgevers verplicht zijn om op zo’n verzoek in te gaan. Tot nu toe was, juist vanwege het ontbreken van recht op compensatie in deze gevallen, de algemene teneur in de rechtspraak dat werkgever hier niet toe kon worden verplicht. Maar er liggen op dit moment twee zaken bij de Hoge Raad voor die nog op een uitspraak wachten. Mogelijk heeft deze recente uitspraak van de CRvB invloed op de uitkomst in die zaken. Dat moeten we afwachten...

Tot slot en wellicht ten overvloede: om in aanmerking te komen voor compensatie moet uiteraard worden voldaan aan alle voorwaarden die de wet hiervoor stelt. En is de compensatie dus gemaximeerd tot de hoogte van de transitievergoeding per datum twee jaar ziek, berekend conform de huidige rekenregels voor de transitievergoeding.

Heb je vragen over compensatie van transitievergoeding? Neem dan contact op met onze specialisten arbeidsrecht.