Oordeel bedrijfsarts wordt leidend bij RIV-toets

Roswitha-Edema 3 november 2020 door Roswitha Edema-Spaans

Bij de re-integratie van langdurig arbeidsongeschikte werknemers is de werkgever afhankelijk van de juiste adviezen van de bedrijfsarts. Maar het gebeurt geregeld dat het UWV over de belastbaarheid van de zieke werknemer een andere mening heeft dan de bedrijfsarts. Dat kan ertoe leiden dat het UWV bij de RIV-toets (de toets op het re-integratieverslag bij de WIA-aanvraag) oordeelt dat er kansen zijn gemist bij de re-integratie. Het UWV kan dan een loonsanctie opleggen, waardoor werkgever het loon nog een 3e jaar moet betalen.

Op 1 oktober 2020 heeft Minister Koolmees (SZW) een wetsvoorstel ingediend waarbij dit gaat veranderen. Als het wetsvoorstel wordt aangenomen, zal vanaf 1 september 2021 het oordeel van de bedrijfsarts leidend zijn bij de RIV-toets. In deze blog ga ik hier nader op in.

Huidige situatie

Als een werknemer ziek is, geldt voor de werkgever de verplichting om minimaal 70% van het loon door te betalen tijdens de eerste 104 weken van ziekte, tenzij de arbeidsovereenkomst eerder eindigt (bijvoorbeeld in geval van een contract voor bepaalde tijd). Ook moeten werkgever en werknemer zich in die periode inspannen voor de re-integratie van de werknemer. Dit volgt uit de Wet verbetering poortwachter, de WVP. Pas als de wachttijd van 104 weken is doorlopen, kan de werknemer in aanmerking komen voor een WIA-uitkering (tenzij de werknemer eerder in aanmerking komt voor een IVA-uitkering met verkorte wachttijd).

Als de werknemer tegen het einde van de wachttijd nog arbeidsongeschikt is, kan hij (11 weken voor einde wachttijd) een WIA-uitkering aanvragen. Het UWV toetst dan eerst of er voldoende re-integratie-inspanningen zijn gepleegd, de zogenaamde RIV-toets. Daarbij wordt bekeken of de werkgever en de werknemer tijdens de eerste twee jaar van ziekte voldoende hebben gedaan om de werknemer te re-integreren. Re-integratie kan bestaan uit het verrichten van passend werk bij de werkgever dan wel het volgen van een re-integratie spoor 2 (als bij de werkgever geen structurele mogelijkheid is voor ander, passend werk).

Als het UWV bij de RIV-toets oordeelt dat de werkgever onvoldoende heeft gedaan aan re-integratie, dan kan het UWV een loonsanctie opleggen. De werkgever moet dan het loon nog een jaar langer doorbetalen. Het UWV geeft daarbij ook aan wat er schort aan de re-integratie-inspanningen en hoe dat kan worden gerepareerd. Dit kan leiden tot een bekorting van de loonsanctie op het moment dat er wel is voldaan aan de re-integratieverplichtingen.

Wat hierboven is geschreven, geldt ook voor een werkgever die eigenrisicodrager is voor de Ziektewet, als een werknemer ziek uit dienst gaat en vervolgens een ZW-uitkering toegekend krijgt die voor rekening van de ex-werkgever als eigenrisicodrager komt (bijvoorbeeld bij een contract voor bepaalde tijd dat eindigt, terwijl werknemer op dat moment minder dan 2 jaar ziek is). Ook de eigenrisicodrager heeft de verplichting om de ex-werknemer te re-integreren en ook in dat geval zal bij einde wachttijd de
RIV-toets worden gedaan. Het UWV kan een sanctie opleggen als de eigenrisicodrager niet heeft voldaan aan diens re-integratieverplichtingen. Die sanctie behelst dan dat de eigenrisicodrager de ZW-uitkering nog een jaar langer moet doorbetalen. Ook kan de eigenrisicodrager een bekortingsverzoek doen op het moment dat er wel is voldaan aan de re-integratieverplichtingen.

Rol van de bedrijfsarts

Voor de verzuimbegeleiding van de zieke werknemer wordt van de werkgever verwacht dat hij een geregistreerde bedrijfsarts inschakelt om de verzuimbegeleiding van de werknemer vorm te geven. De bedrijfsarts geeft aan met welke beperkingen rekening moet worden gehouden bij de re-integratie.

Wat we nog wel eens zien, is dat de bedrijfsarts van oordeel is dat er geen benutbare mogelijkheden zijn voor re-integratie of dat er forse beperkingen zijn (denk bijvoorbeeld aan een urenbeperking). De ervaring leert dat dit oordeel niet altijd wordt gedeeld door de verzekeringsarts van het UWV bij de RIV-toets. Op dit moment is het zo dat het oordeel van de verzekeringsarts van het UWV de doorslag geeft. Heeft de bedrijfsarts volgens het UWV ten onrechte meer beperkingen aangenomen dan de UWV-verzekeringsarts aanwezig acht, dan wordt al snel geoordeeld dat er bij de re-integratie kansen zijn gemist en zal dit leiden tot een loonsanctie voor de werkgever c.q. een ZW-sanctie voor de ex-werkgever die eigenrisicodrager is.

Voor werkgever is dit niet goed te begrijpen. Want hij mocht er toch op vertrouwen dat de bedrijfsarts bij de verzuimbegeleiding juiste adviezen gaf waar hij op kon varen? En waarom wordt de werkgever gestraft voor iets waar hij zelf niets aan kan doen?

Helaas is dat wel de praktijk. Juridisch is de bedrijfsarts een “hulppersoon” waar de werkgever gebruik van maakt bij de uitvoering van zijn verplichtingen uit hoofde van de WVP. Maakt die hulppersoon een fout, dan wordt dat toegerekend aan de werkgever. Dit is door het hoogste rechtsorgaan in het sociaalzekerheidsrecht, de Centrale Raad van Beroep (CRvB) ook herhaaldelijk bevestigd. Kortom, de werkgever trekt dan aan het kortste eind en het enige dat er dan op zit, is de bedrijfsarts aansprakelijk te stellen voor de geleden schade. Maar dat is nog niet zo eenvoudig, mede gelet op de forse exoneratieclausules die vaak zijn opgenomen in de contracten met arbodiensten.

Wat kan de werkgever op dit moment doen als hij tijdens het re-integratieproces twijfels heeft over het oordeel van de bedrijfsarts met betrekking tot de belastbaarheid van de zieke werknemer? Wij adviseren de werkgever om in zo’n geval een deskundigenoordeel aan te vragen bij het UWV, bijvoorbeeld na 1 jaar ziekte. Dat is een goed moment, omdat er dan nog voldoende tijd resteert om eventuele gebreken in de re-integratie te repareren. Maar ook een deskundigenoordeel biedt geen garantie, omdat dit alleen ziet op het moment waarop het oordeel wordt gevraagd en niet op de periode daarna, waarin nog van alles kan veranderen.

Wetsvoorstel RIV-toets UWV door arbeidsdeskundigen

In het Wetsvoorstel dat op 1 oktober 2020 door minister Koolmees van SZW bij de Tweede Kamer is ingediend, wordt het advies van een bedrijfsarts over de belastbaarheid van de (ex-) werknemer bij de RIV-toets door het UWV leidend gemaakt. Dit betekent dat de verzekeringsarts van het UWV dit advies niet langer zal beoordelen, wat meer zekerheid geeft voor werkgever.

De arbeidsdeskundige van het UWV beoordeelt dan alleen of werkgever en werknemer de re-integratie-inspanningen hebben gepleegd die passend zijn bij het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid van de werknemer.

Het opleggen van een loonsanctie of ZW-sanctie blijft dan nog steeds mogelijk, maar loonsancties die het gevolg zijn van een medisch verschil van inzicht tussen de bedrijfsarts en de verzekeringsarts van het UWV, zullen dan tot het verleden behoren.

Let wel: voor de WIA-beoordeling zelf, dus of een werknemer of ex-werknemer in aanmerking komt voor een WIA-uitkering, blijft de mening van de verzekeringsarts van het UWV over de belastbaarheid wel leidend. Alleen bij de RIV-toets wordt het oordeel van de bedrijfsarts over de belastbaarheid doorslaggevend. Overigens zal er, om verschillen in het oordeel tussen bedrijfsarts en verzekeringsarts zoveel mogelijk te voorkomen, een nieuw beoordelingskader worden ontwikkeld van waaruit bedrijfsartsen hun adviezen over de belastbaarheid van zieke werknemers moeten opstellen. Naar verwachting zal dit beoordelingskader in december 2020 worden opgeleverd.

Ingangsdatum

De beoogde ingangsdatum van de wet is 1 september 2021. Maar het wetsvoorstel moet eerst nog worden aangenomen door de Tweede- en Eerste Kamer. Zodra dat het geval is, zullen wij dit op onze website melden.

Vragen? Neem dan contact op met onze specialisten arbeidsrecht. Wij helpen graag!